Een wijze zoon luistert naar de lessen van zijn vader, een spotter sluit zijn oren voor berispingen.
Wie iets goeds zegt, voedt zich met zijn woorden, wie onbetrouwbaar is, hongert naar geweld.
Wie zijn mond op slot houdt, waakt over zichzelf, wie zijn lippen hun gang laat gaan, stort zichzelf in het verderf.
De verlangens van een luiaard worden niet vervuld, een vlijtig mens wordt rijkelijk gelaafd.
Een rechtvaardige verafschuwt leugens, door zijn schandelijke praatjes staat een goddeloze in een kwade reuk.
Rechtvaardigheid waakt over wie de juiste weg gaat, goddeloosheid laat de zondaar dwalen.
De een doet zich rijk voor terwijl hij niets bezit, de ander doet of hij arm is terwijl hij een vermogen heeft.
De rijkdom van een mens is het losgeld voor zijn leven, ben je arm, dan word je niet bedreigd.
Het licht van een rechtvaardige brengt vreugde, de lamp van goddelozen wordt gedoofd.
Betweters maken ruzie, wie goede raad ter harte neemt, is wijs.
In de schoot geworpen rijkdom is weer snel verdwenen, gestage groei maakt rijk.
Almaar onvervulde hoop maakt ziek, vervuld verlangen is een levensboom.
Wie een gebod veracht, zal daarvoor de prijs betalen, wie het in acht neemt, wordt beloond.
De lessen van de wijze zijn een bron van leven, ze laten je ontkomen aan de strikken van de dood.
Inzicht maakt een mens geliefd, trouweloosheid brengt hem op een kronkelig pad.
Een verstandig mens handelt met overleg, een dwaas spreidt onverstand tentoon.